Alexander Geplaatst op 24-01-2007, 18:37 Reageer
Berichten: 51
gebruiker
Verstuur privé bericht

Uit de verschillende papyrusvondsten (zie ook: Papyrus), de verwijzingen en citaten bij kerkvaders en de grote hoeveelheid handschriften uit later tijd, kunnen we de Griekse tekst van het Nieuwe Testament zoals wij die kennen herleiden tot de tweede eeuw n.Chr. Dat betekent dat de tekstgeschiedenis die we kunnen traceren, teruggrijpt tot bijna het moment waarop de boeken geschreven werden. Bijna, maar net niet. We blijven steken in de tweede eeuw n.Chr. terwijl de meeste boeken geschreven zijn in de tweede helft van de eerste eeuw n.Chr. Toch is dit gat zo klein en de kennis van de vroegchristelijke literatuur zo groot dat we min of meer zekerheid hebben dat de Griekse tekst van de boeken van het Nieuwe Testament zoals wij die hebben vrijwel geheel overeenkomt met de oorspronkelijke tekst van deze boeken. Een andere vraag is natuurlijk wanneer de verschillende boeken precies zijn geschreven. Zie daarvoor Het ontstaan van de boeken van het Nieuwe Testament.

Bron: http://80.252.86.246/rondomdebijbel/


meld dit bericht aan een moderator

 
Jacelina Geplaatst op 07-02-2007, 11:24 Reageer
Berichten: 15
gebruiker
Verstuur privé bericht

Vraag over iets wat me bezg houd en zowel over het NT als over het OT gaat.
Hoe zit het met hetgeen genoemd wordt in Hebr 7:21 waar gezegd wordt tegen Jezus  "Jij  bent priester voor eeuwig".  Dit slaat terug op Psalm 110: 4 zover ben ik. Maar hoe
zit dat dan met het eeuwige priesterschap van Melchisedek?  Hier kan ik alleen in Genesis 14 iets van vinden en in het begin van Hebreeen 7, het wordt natabene bij zo een belangrijk iets als priesterschap weer aangehaald in het OT.
Wat was het verschil dan tussen Melchisedek en Aaron, (zoals het verschil opgemerkt  in vers 11 van Hebr 7)?  
Ter verduidelijking hier de tekst van Hebr 7

11 Had het Levitische priesterschap – dat de basis vormde voor de wet die het volk ontving – de volmaaktheid gebracht, dan zou het niet nodig zijn geweest dat er een andere priester werd aangesteld, die was zoals Melchisedek, en niet zoals Aäron. 12 Maar wanneer de aard van het priesterschap verandert, verandert onherroepelijk ook de wet. 13 Welnu, degene over wie dit alles wordt gezegd, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich in dienst van het altaar gesteld heeft. 14 Het is immers bij iedereen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, en deze stam is door Mozes nooit met priesters in verband gebracht. 15 Nog duidelijker wordt het als we ons realiseren dat deze nieuwe priester, het evenbeeld van Melchisedek, 16 geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven. 17 Over hem wordt immers verklaard: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’ 18 Het eerder gegeven gebod wordt ongeldig verklaard omdat het te beperkt is en niet voldoet 19 – de wet heeft trouwens in geen enkel opzicht de volmaaktheid gebracht –, maar de hoop op iets beters treedt ervoor in de plaats, waardoor wij weer dichter tot God kunnen naderen. 20 Bovendien is er sprake van een bekrachtiging onder ede. De Levitische priesters ontvingen het priesterschap zonder dat het door een eed bekrachtigd werd, 21 Jezus daarentegen ontving het mét een dergelijke bekrachtiging, toen tegen hem werd gezegd: ‘De Heer heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: “Jij bent priester voor eeuwig.”’


meld dit bericht aan een moderator

 
Michael Geplaatst op 07-04-2007, 22:43 Reageer
Berichten: 167
gebruiker
Verstuur privé bericht

Op 07-02-2007, 11:24 Jacelina schreef:
Vraag over iets wat me bezg houd en zowel over het NT als over het OT gaat.
Hoe zit het met hetgeen genoemd wordt in Hebr 7:21 waar gezegd wordt tegen Jezus  "Jij  bent priester voor eeuwig".  Dit slaat terug op Psalm 110: 4 zover ben ik. Maar hoe
zit dat dan met het eeuwige priesterschap van Melchisedek?  Hier kan ik alleen in Genesis 14 iets van vinden en in het begin van Hebreeen 7, het wordt natabene bij zo een belangrijk iets als priesterschap weer aangehaald in het OT.
Wat was het verschil dan tussen Melchisedek en Aaron, (zoals het verschil opgemerkt  in vers 11 van Hebr 7)?  
Ter verduidelijking hier de tekst van Hebr 7

11 Had het Levitische priesterschap – dat de basis vormde voor de wet die het volk ontving – de volmaaktheid gebracht, dan zou het niet nodig zijn geweest dat er een andere priester werd aangesteld, die was zoals Melchisedek, en niet zoals Aäron. 12 Maar wanneer de aard van het priesterschap verandert, verandert onherroepelijk ook de wet. 13 Welnu, degene over wie dit alles wordt gezegd, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich in dienst van het altaar gesteld heeft. 14 Het is immers bij iedereen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, en deze stam is door Mozes nooit met priesters in verband gebracht. 15 Nog duidelijker wordt het als we ons realiseren dat deze nieuwe priester, het evenbeeld van Melchisedek, 16 geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven. 17 Over hem wordt immers verklaard: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’ 18 Het eerder gegeven gebod wordt ongeldig verklaard omdat het te beperkt is en niet voldoet 19 – de wet heeft trouwens in geen enkel opzicht de volmaaktheid gebracht –, maar de hoop op iets beters treedt ervoor in de plaats, waardoor wij weer dichter tot God kunnen naderen. 20 Bovendien is er sprake van een bekrachtiging onder ede. De Levitische priesters ontvingen het priesterschap zonder dat het door een eed bekrachtigd werd, 21 Jezus daarentegen ontving het mét een dergelijke bekrachtiging, toen tegen hem werd gezegd: ‘De Heer heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: “Jij bent priester voor eeuwig.”’



Beste Jacqueline,

Nadat de eerste koning van Israël (Saul, uit de stam Benjamin) in ongenade was gevallen ging het koningschap over op David, uit de stam Juda. De priesters kwamen uit de stam Levi; Aäron was natuurlijk de grootste hogepriester geweest. We zien dus een scheiding tussen de hogepriester en de koning. Melchisedek was in de tijd van Abraham hogepriester én koning van Salem (Jerusalem). Hij verenigde beide in zich en ontving dus (als hogepriester) terecht van Abraham tienden; hij kon brood en wijn brengen en Abraham en de zijnen zegenen (Gen. 14: 18-20). Hij is een voorafschaduwing van Jezus, God vanaf den beginne. {Van Melchisedek wordt gezegd dat hij geen vader of moeder heeft, geen oorsprong of levenseinde heeft enz. (Hebr. 7:3)}. Jezus verenigt koning en hogepriester ook (dus: naar de ordening van Melchisedek).
De Levieten (Aäron) konden de volkomenheid niet brengen, daarom moest er een andere Priester naar de ordening van Melchisedek opstaan.

In Genesis zien we dat Melchisedek tussen Abraham en God staat en de zegen geeft. Wij zijn, als nageslacht van Abraham, afhankelijk van de genade en de zegen van Jezus Christus.
Psalm 110:4 belooft een priesterkoning, zoals eens Melchisedek was.


Vrede zij u.


Michaël



meld dit bericht aan een moderator